Sprookje gemeentelijk grondbeleid uiteengespat
En weer worden de bouwvakker en de consument de dupe. Ik zeg dit op het moment dat gemeenten dagelijks in de media berichten dat zij hun bouwprojecten tegen het licht gaan houden. Amsterdam beet hiermee de spits af.
Alleen plannen die noodzakelijk, betaalbaar en maatschappelijk wenselijk zijn, gaan nog door. Alle overige projecten worden geschrapt, aldus de hoofdstedelijke wethouder Van Poelgeest. Hij werd gevolgd door onder andere zijn Haagse collega Norder en de Eindhovense wethouder Fiers.
Aanleiding voor deze rigoureuze stap is geld. Door de crisis in de bouw lopen de inkomsten voor gemeenten uit grondverkopen fors terug. In ons recente opinievlugschrift Opinar stelt Fakton-directeur Peter van Bosse al vast, dat de crisis een gat van zo’n drie miljard euro zal slaan in de gezamenlijke gemeentebegrotingen. Geld waar gemeentebestuurders op rekenden binnen te halen uit grondverkopen en wat door de crisis nu dus in rook dreigt op te gaan.
De reactie van veel gemeenten om op de rem van de ontwikkelingen te trappen is verbijsterend. Natuurlijk is het logisch om serieus te kijken naar nut en noodzaak van nieuwe kantoorontwikkelingen nu er zoveel leegstand is. Maar om ook woningbouwprojecten in de koelkast te zetten in een stad als bijvoorbeeld Amsterdam, waar toch al zoveel schaarste is, getuigt niet van visie en kent straks alleen maar verliezers.
Als eerste natuurlijk de bouwsector, die wederom een dreun krijgt. Maar ook de aan bouw gelieerde sectoren zoals onder andere keukenzaken en van interieurzaken tot verhuisbedrijven aan toe krijgen hiermee te maken. Maar de allergrootste verliezer is straks onmiskenbaar de woonconsument omdat door dit soort paniekreacties alleen maar schaarste wordt gecreëerd. En we weten allemaal waar dat uiteindelijk toe leidt. Een opgezouten vraag die leidt tot forse prijsstijgingen in de koopsector en groeiende rijen wachtenden voor een huurwoning.
Kern van de huidige situatie is het door gemeenten gevoerde grondbeleid. Jarenlang werden de verwachte inkomsten uit grondtransacties al in gemeentebegrotingen opgenomen en waren de vooraf ingeboekte grondwinsten bij wijze van spreken al uitgegeven. Niet zelden werden de grondbedrijven door gemeentebestuurders dan ook gezien als de spreekwoordelijke flappentap. Er was immers altijd geld beschikbaar om er leuke dingen voor de mensen mee te doen. Zo kon het zwembad open blijven en waren ook cultuurinstellingen verzekerd van een financiële bijdrage. En omdat de prijzen van woningen alleen maar stegen, namen door de residuele grondprijzen de inkomsten alleen maar toe.
Kortom, de bomen leken tot in de hemel te groeien. Leken, want bomen groeien nu eenmaal niet tot aan de hemel. Het sprookje van een nimmer opdrogende financieringsbron is inmiddels uiteengespat. De overschotten bij veel grondbedrijven zijn verdampt en omgeslagen in tekorten. De vraag die wij ons moeten stellen is of gemeenten wel een actief grondbeleid moeten voeren? Er kleven namelijk enorme risico’s aan. Zeker als gemeenten geld reserveren dat nog niet eens binnen is. Een publieke partij moet zich daar in onze beleving verre van houden. Een mooie klus voor het nieuwe kabinet om zich daar over te buigen.
Nico Rietdijk, directeur NVB, Vereniging voor ontwikkelaars & bouwondernemers