De Amerikaanse buurt
Ik heb een tijdje in de buurt van Los Angeles gewoond, in zo’n perfect aangelegde woonwijk met winkels, scholen, zwembaden, wandel- en hardrenpaden, zelfs paardenpaadjes, onvoorstelbaar.
Het was een nette middenstandswijk. De buurman werkte in een vliegtuigfabriek, er woonde een leraar en ik herinner mij een makelaar. Aardige mensen, zoals Amerikanen aardig kunnen zijn. Tikje overdreven, maar betrokken en nooit te beroerd een handje te helpen.
Wij, allochtonen, werden met open armen ontvangen en moesten alles over onze cultuur vertellen. We hebben ze drop en stroopwafels leren eten. De huizen in de buurt hadden van die grote garages. Wij hadden de 'two-car' versie; wij waren de iets armere buurt.
Een straat verder hadden ze de 'three-car' garage buurt. Merkwaardig concept. Het huis was vanaf de straat vooral te zien als een enorme garagedeur, die ook nog vaak open stond. Je keek zo in de gapende ingewanden van het gezinsleven. De fietsen, vaders werkbank, de blikken verf en de tuinstoelen. De auto stond meestal op de oprit. De voordeur was ergens om de hoek verstopt en had verder ook geen functie. Alles ging via de garage, zelfs het bezoek.
Het was er gezellig op de vrijdagmiddag. We zaten op de stoep pizza te eten en bier te drinken, terwijl de kinderen op hun trapautootjes rondreden. Het was een doodlopende straat, bijna geen verkeer. Het mooie weer hielp natuurlijk om de herinneringen die ik aan die avonden heb, vast te houden. Er waren feestjes en bijeenkomsten en er werden veel cursussen georganiseerd. Bloemschikken, daar waren ze toen nogal dol op, hoorde bij die ietwat truttige levensstijl van de jaren ‘80. Die hebben we maar als nuchtere Hollanders overgeslagen.
Tegelijk besef ik nu, 20 jaar later, dat ze de buurt goed in elkaar hadden gezet. Het was een community. Je was ook lid van de community. Je betaalde iets van 50 dollar per maand voor het zwembad, het schoonmaken en onderhoud en het groen, dat overigens 'landscaping' werd genoemd, wat een goede aanduiding was van de schaal en de kwaliteit van de parken om ons heen. Dit was een nieuwe vorm van projectontwikkeling die in korte tijd erg in de mode was geraakt. De ontwikkelaar voelde zich ook na de oplevering van de huizen verantwoordelijk voor de kwaliteit van de buurt. Het was niet bouwen en wegwezen.
De kunst was namelijk niet zozeer de huizen te verkopen, maar om een echte gemeenschap te maken. Zijn winst zat voor een deel op de lange termijn. In de buurt ontwikkelde hij later winkelcentra en kantoorwijken en scholen. Dat was voor hem de slagroom op de vastgoed taart. Maar dan moet je eerst een buurt maken waar mensen zich thuis voelen.
Voor de lokalen was het wonen in Irvine, zo heette die buurt, een belangrijk doel in het leven geworden. Het bood houvast in de ratrace die het leven bij Los Angeles nu een keer was. Het gaf status en zekerheid. Ik heb voor het eerst gezien dat een buurt maken meer was dan stenen stapelen, hoe doorzichtig de burgerlijke belofte van een three-car garage ook is. Als ze het goed doen, kun je er geen bezwaar tegen maken.
De ontwikkelaar was gedurende die periode eventjes op papier de rijkste man van Amerika, door het knappe staaltje waardecreatie. Dit was voor de Internet revolutie die van nerds van 25 jaar miljardairs maakte. Hij moest er nog echt voor werken. Later zijn ze het 'brandscaping' gaan noemen, het merken en laten rijpen van de buurt tot een functionele, veilige en comfortabele omgeving. Ik heb me vaak afgevraagd waarom ons dat in Nederland nooit echt gelukt is.
De 'art of making Neigborhoods', daar gaat het over. De buurt doet het overigens nog steeds goed, zelfs tijdens de crisis bleek het redelijk waardevast. Zou ons nu wel uitkomen, goede waardevaste buurten in Nederland. En ik blijf maar met dat beeld in mijn hoofd zitten van mijn zoon van drie jaar in de avondzon, op zijn zitautootje die hij met zijn voeten aan weerszijden door de straat voortbewoog, met nog eens drie andere kindertjes achter hem aan. Hij neuriede erbij. Hij wordt binnenkort dokter, een echte mensenvriend, met een naar eigen zeggen gelukkige jeugd. Over waardecreatie gesproken.
Rudy Stroink is verbonden aan het Utrechtse TCN dat met een portefeuille van 2 miljard euro een van de grootste projectontwikkelaars is van Nederland.