Het wordt nooit meer zoals het was
Voor mij begon de crisis begin 2008 en ik kan nog steeds niet zeggen dat we er klaar mee zijn. De algemeen aanvaarde conclusie is dat het waarschijnlijk nooit meer zal worden zoals het was. Het proces van acceptatie dat dingen anders zijn en blijven, verloopt voorspelbaar. Eerst is er de shock, daarna treurnis, dan is er acceptatie van je lot en vervolgens het aanmeten van een nieuwe houding. Je moet verder. Er is ook zeker een moment waarin je de vraag stelt of je er wat aan had kunnen doen. Dat is voor mij nu dus.
Mijn grootste fout is geweest dat ik in de goede tijden te weinig aan productinnovatie heb gedaan. Het was te makkelijk op routine je vak uit te oefenen, terwijl ik waarschijnlijk op het hoogtepunt van de markt de vraag had moeten stellen: Kan het beter, of anders? En dat doe je dan niet, te druk.
Terwijl andere bedrijfstakken om ons heen wel aan het aanpassen waren: internet, software, vliegtuigen, auto’s, medicijnen en voeding, denken wij projectontwikkelaars nu nog steeds hetzelfde over woningen en kantoren als dertig jaar geleden.
Het meest opvallende voor mij, als ik de film terugdraai, is dat we juist die veranderlijkheid van de wereld niet bedacht hebben. Vastgoedprojecten zijn complexe en langdurige processen, vaak gebaseerd op een heel statisch beeld van de vraag. Wij laten een kantoorgebruiker een contract tekenen voor, als het even kan, meer dan tien jaar en doen er bovendien vier jaar over voordat het gebouw er staat.
Wie kan nu vandaag weten wat hij over veertien jaar nodig heeft? In deze onzekere en fluïde wereld bijna niemand. En toch vroegen we dat van onze klant. En wat gebeurt er als die klant weg gaat na tien jaar, is het gebouw dan ook voor een ander interessant? Kantoren, huizen en winkels gaan gedurende hun levensduur, en die kan wel eens 400 jaar zijn, door diverse gebruikscycli. Bewoners, bedrijfsstructuren komen en gaan, er worden nieuwe winkelconcepten bedacht, kinderen gaan het huis uit etc. En dat moet allemaal maar weer passen in de doos die het huis, winkel of kantoor heet.
Dat komt omdat we na de oorlog (de tweede) meer dan ooit woningen en andere gebouwen zijn gaan ontwerpen op basis van hele statische beelden over de mensheid. Waar je at, waar pa de krant mocht lezen, waar je sliep lag allemaal vast. In de slaapkamer paste precies twee bedden en een kast naast elkaar. Het ligbad (met douche daarboven, zodat je nooit lekker stond) past precies naast de wastafel. Prachtige beelden overigens als je ze terugziet op het Polygoon Journaal, wat was het allemaal modern!
Nu heb ik de laatste jaren ontdekt (fluisterende toon, zodat niemand het hoort, even tussen ons) dat een gebouw dat niet ontworpen is vanuit de functionele inrichting, maar op basis van formele waarden zich veel beter laat aanpassen. Zo heb je die woningen uit het begin van de 20ste eeuw met een mooie kamer aan de straat en een eetkamer achter en een souterrain (voor het personeel) beneden.
Allemaal niet meer van belang voor deze tijd, maar gewoon lekker ruim en sfeervol. Niets bijpassend bankstel, TV en boekenkast in een keurig ensemble, het ging om statigheid en de hoogte van het plafond. Of die oude winkels waarin grootte van de etalage vooral een uitdrukking was van het succes van de winkelier. Of de grachtenwoningen, waarin een mooie kamer belangrijk was om zaken te doen en te pronken met je rijkdom. Allemaal niet op de millimeter berekend op basis van het standaard bed of het bureau, maar om de woon- of werkcultuur van de tijd uit te drukken.
De woningen, winkels en kantoorgebouwen uit die periodes doen het nog steeds erg goed bij de makelaars, zijn erg waardevast. Heeft natuurlijk ook met nostalgie, noem het historisch respect, te maken. Beter dan die ernstige functionele en op de millimeter uitgedachte Vinex-wijken, waarvan ik de verwachting heb dat ze snel verouderen. Te specifiek gemaakt, ik heb nog geen nostalgische gevoelens als ik door zo’n wijk rij.
Onze leefgewoontes gaan veranderen de komende jaren. Onder invloed van buitenlandse culturen, nieuwe levensopvattingen en gewoontes zullen we anders over onze steden en dorpen gaan nadenken en het is verstandig daar rekening mee te houden in nieuwe projecten. Vanaf nu maak ik gebouwen die wat betreft gebruik veranderbaar zijn. Een slaapkamer kan ook een werkkamer of een badkamer zijn, een woonkamer een keuken, een winkel kan een woning worden, kantoren appartementen. Ik ben voor scenario-ontwerpen; verschillende bijna onvoorstelbare scenario’s van gebruik moeten kunnen passen. Mijn gebouwen moeten wel een uitdrukking zijn van de waarden en leefstijlen van deze tijd.
Nostalgie naar de crisis van 2008 zeg maar, wetende dat een volgende generatie gebruikers dat meer weet te waarderen, dan de enige juiste plaatsing van een Ikea-bed in de slaapkamer.
Rudy Stroink is verbonden aan het Utrechtse TCN dat met een portefeuille van 2 miljard euro een van de grootste projectontwikkelaars is van Nederland.