Het echtpaar K. uit de Van Ostadestraat
Dat een huis – ook als is het bijna geen huis – soms veel meer is dan een huis, leerde ik in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Amsterdam.
Ik huurde een pijpenla in de Pijp, een opgeleukte nulkamerwoning, met links naast me op 3-hoog volkomen onopvallend de later zo leuk opgebloeide Michiel Romein en daar weer naast op 1-hoog het beheerdersechtpaar K.
Allebei ergens in de 60, allebei geboren en getogen Van-Ostadestraters en allebei nooit verder geweest dan de Albert Cuijp. Ze bevonden zich beide in vergaande staat van verzuring, met hier en daar een ongecontroleerde opleving van Amsterdamse onbevangenheid.
Om een voorbeeld te noemen: als er nieuw Turks-Nederlands gezin in de straat kwam wonen, die we toen nog gewoon allochtonen of Turken noemden, barstte er simultaan uit twee monden een niet te stuiten stroom racistische clichés los. Amsterdam voor de Amsterdammers (die al jaren geleden vrijwillig waren verhuisd naar Purmerend en Almere) en vol is vol (terwijl de etage in kwestie toch behoorlijk lang had leeggestaan).
Ik was er een keer om de huur te brengen of om met een potlood een prednisonpil in hun zwaar zieke poes te duwen – dat durfden ze zelf niet want meneer K. was bang dat de poes zou uithalen en mevrouw K. was bang dat ze het potlood te diep in de poes zou duwen zodat de pil er meteen aan de andere kant zou uitkomen voor hij z’n heilzame stoffen had kunnen afgeven – maar goed, ik was daar toen we beneden op straat een klap hoorden en kindergehuil.
Mevrouw K. sprong op. “Oh jee, Achmedje is gevallen!” Ze greep een ehbo-trommel en sprintte met haar grote lichaam dat eruitzag alsof ze met enige regelmaat een prednisonpil van de poes had opgesnoept de trap af. Want alle Turken moesten eruit, behalve Achmedje want dat was een schatje. En een paar maanden later stond er een blinkend Turks koffieservies op tafel – toen ze samen met de ouders van Achmedje een weekje naar Ankara waren geweest. “Zulke leuke mensen – daar zouden die asociale Marokkanen van hier schuin tegenover eens een voorbeeld aan moeten nemen.“
Mevrouw K. verzamelde pennen en suikerzakjes en sleutelhangers en lucifermerken en ga maar door. En als ze 3 keer in de week haar collectie bijwerkte, klapte ze een secretaire open in het allersmalste stukje van haar woning. Daarop stalde ze haar nieuwe schatten uit en dan kon meneer K. er niet meer langs. Drie uur lang kon hij niet meer naar de wc. Drie uur lang kon hij rondlopen op drie vierkante meter. Dat ging nu al 43 jaar zo.
Meneer K. haatte pennen en suikerzakjes en sleutelhangers. Hij had geheime fantasieën over grote vrouwen die vastgebonden zaten met kettingen van sleutelhangers op brandstapels van lucifers en suikerzakjes en als de vlammen hoog oplaaiden caramelliseerde de suiker en smolt alles samen tot één grote blinkende klont. Op een dag ging de bel. Voor de deur stond een jonge makelaar - net uit de verpakking. Met z’n beste glimlach en z’n pak met schoudervullingen was hij speciaal gekomen om het echtpaar K. een droomaanbieding te doen.
Hij wist dat ze de 'langste' bewoners van de van Ostadestraat waren en hij mocht ze de gelegenheid geven om uit een prachtig nieuwbouwproject als eerste een ruime 3-kamerwoning te kiezen. Koop of huur, wat ze wilden. Geen kleine lettertjes, geen adders – alleen de oprechte wens om twee rasechte Amsterdammers een mooie ouwe dag te bezorgen.
Mevrouw K. keek naar meneer K. terwijl ze de ballpoint van de makelaar snel in de zak van haar schort liet verdwijnen. Meneer K. keek naar mevrouw K. en moest even een paar visioenen van een ballpenmoord uit z’n hoofd zetten. Toen barstte er simultaan uit twee monden: “ In de Rustenburgerstraat? In die achterbuurt? Dat is één en al schorriemorrie. Ik ga nog liever dood.” De jonge makelaar probeerde te blijven lachen.
Harm Edens is tv-presentator en tekstschrijver.