De Twentse Flodders
Ik ben in de jaren zestig opgegroeid in het oertype van de drive-in-woning: een blokkendoos rijtjeshuis met de woonkamer op de eerste verdieping en daaronder de inpandige garage, waar je met de auto zo naar binnen kon rijden. Als je een auto had tenminste.
Ik ben autoloos opgevoed, dus wij reden steevast zo stoer mogelijk op de fiets het huis in. Maar dit geheel terzijde. Het gaat in dit verhaaltje om de buren rechts naast ons.
Met een stuk of drie tamelijk zwakbegaafde kinderen. De term zwakbegaafd heb ik altijd nogal eufemistisch gevonden, omdat die pubers nog tot allerlei bizarre narigheid in staat bleken. Iedereen die jonger waren dan zij sarren en slaan en spugen. En iedereen die ouder waren dan zij ook, omdat ze te dom waren om te onthouden dat ze dan een pak slaag kregen.
Op een zonnige donderdagmiddag klonk er naast ons ergens op de begane grond, in wat wij thuis de hobbykamer noemden, een gigantische explosie. Even hoopte ik dat het hele gezin was ontploft, maar het jongste kind waggelde gelukzalig de tuin in en riep dat hij met goed gevolg een tv-beeldbuis in een deken had gewikkeld en met een klauwhamer aan diggels had geslagen.
Ik weet niet of u dat ooit hebt geprobeerd, maar dan moet je van goeie huize komen. Met z’n oog-hand-coördinatie was niks mis, zal ik maar zeggen. Een paar maanden later wist kind nummer 2 de zware houten garagedeur te ontwrichten door bij het scharnier een hockeystick in de kier te stoppen om vervolgens de deur met een achterwaartse schop zo hard mogelijk dicht te trappen. Met een stervende kraak knalde de deur uit z’n sponningen. Er moest een vorkheftruc aan te pas komen om de oude deur af te voeren en de nieuwe op z’n plaats te tillen.
Kind 3 werd vanaf dat moment angstvallig in de gaten gehouden omdat die onderaan de rampenladder was komen te staan. Die ging vast iets gruwelijks aanrichten. Misschien dat dat de stress opleverde die de vader van het kansarme zootje tot z’n treurige blunder heeft gedreven. Wie zal het zeggen. Toen hij op vrijdagmiddag de grote donkerblauwe Opel Kaptein netjes de drive-in-garage in wilde taxiën, trapte hij in plaats van op de rem op het gaspedaal en trok vol op door de muur de hobbykamer in.
Halverwege stond de auto klemvast in de muur en stapte de buurman licht hoofdschuddend uit met de woorden: “Was die garage altijd al zo klein?” De trap naar 1-hoog ontzet en de relatie met de buren ook. Zelf schenen ze het allemaal heel grappig te vinden. Dat is dan weer het voordeel van samen zwakbegaafd zijn. Dan kun je blijkbaar uit pure herkenning ongelooflijk lachen om elkaars blunders.
De Twentse Flodders gingen niet lang daarna verhuizen en de rust keerde terug. Ik zou bijna zeggen dat we op het randje van saaiheid kwamen te zitten. Tot er een ijselijke kreet uit het huis van de nieuwe buren opsteeg. Tijdens het behangafsteken in de hobbykamer was de buuf ineens weg. Haar dochter zag haar voor d’r ogen in de muur verdwijnen en gilde het uit. En de buuf, die van haar trapje voorover in de hel stortte, ook.
Onder de trap krabbelde ze overeind, veegde het stof uit haar gezicht en vocht zich een weg terug de hobbykamer in. Wat bleek? De vorige buren hadden de schade van het auto-ongeluk nooit laten herstellen. Ze hadden alleen een nieuw behangetje over het gat heen geplakt. Toen de buuf en haar dochter voorzichtig de stukken papier eraf scheurden, kwamen de perfecte contouren van de Opel Kaptein tevoorschijn. Als in een stripverhaal. Daarom heb ik makelaars die in kozijnen prikken, aan deurposten wrikken en op muren bonken ook nooit overdreven gevonden. Het lijkt onzin, maar het is pure noodzaak.
Harm Edens is tekstschrijver en tv-presentator